Art 25
De Tandes des Tijds en der Geduld
RUBRIEK: Kwalen-Karma-Healing   Geplaatst op 5 januar 2026

Onze haren en nagels blijven gedurende onze hele leven bijgroeien, maar dat kan niet gezegd worden van onze tanden. Die zijn -op een melkgebit in de beginjaren te na- voor gans ons leven. Vreemd eigenlijk, als men bedenkt dat het stukken "been" zijn die doorheen onze kaak moeten groeien en steken, terwijl al de rest van ons "ge-raamte" en beenderen, veilig en beschermd binnen ons zitten. Het is dus het deel van ons bot, dat het meest perifeer staat, en het meest bloot gesteld is aan de buiten-wereld. We moeten er voedsel mee kauwen- letterlijk in stukjes verdelen- om het te kunnen naar binnen slikken, en het letterlijk te kunnen verteren en op te nemen. Eten is dus eigenlijk steeds een agressieve aktiviteit, waarbij we levende organis-men "naar binnen werken" om die om te zetten tot de eigen bouwstenen die we no-dig hebben, om of te groeien, of onze weefsels te vernieuwen, en voldoende energie te halen om alles warm en aktief te houden. Mensen die bezwaren hebben op daarbij dieren als voedsel te gebruiken, moeten dus twee dingen wel goed voor ogen blijven houden.

Ten eerste: of we nu dierlijk of plantaardig leven naar binnen werken, eten is en blijft een agressieve aktiviteit. We moeten iets levends vernietigen om het te kunnen op-eten. Vandaar dat zijn tanden tonen bij dier of mens een teken van agressie is, vooral met "opengesperde bek" (zie foto hieronder): let op! stop! tot hier en niet ver-der! ik verwittig je: of ik bijt! En dat de tanden OP elkaar houden met gesloten mond, het tegenovergestelde teken is: glimlachen = ik ben niet kwaads van plan; relax!

Ten tweede: met louter plantaardig te eten en vegetariër of veganist te worden, hel-pen we dus de "agressie" niet automaties uit de wereld. In de natuur heerst een "Eet of je wordt gegeten". Jack London was een beetje geobsedeerd door deze meedogen-loze wet van de natuur, en heeft er twee boeken over geschreven: The Call of the Wild en White Fang. Ook al koesteren we misschien de pacifistiese illusie dat de tijd van onze primitieve voorouders ver achter ons ligt, en de mens sindsdien "gecivili-seerd" is geworden; in realitet betekent het gewoon dat de mens als sociale soort dit dilemma heeft "opgelost" door het in zijn gemeenschap te organiseren, en voor de "gemoedsrust" de ware toedracht ervan verbergt. Want als soort zijn we druk bezig de Aarde aan het kaal eten en plukken; als dat geen agressie is, weet ik het niet meer. Anorexia als ziekte maakt ook duidelijk dat er GEEN manier bestaat om zich daar-aan te onttrekken: wie, voor welke reden ook, zich "verplicht" van niet meer te willen eten, en daadwerkelijk ophoudt met voldoende te eten, gaat gewoon dood.

Maar goed, om terug de draad van ons verhaal op te nemen: als onze tanden het meest naar buiten gerichte bot is om daar "zijn werk" te verrichter, houdt dat ook in dat het het meest is bloot gesteld aan die buitenwereld. Als een steen die bloot ge-steld is aan de erosie van weer en wind, zijn onze tanden het meest bloot gesteld aan alle moeilijkheden van de externe wereld. Aan de hardheid: niet alleen in de figuur-lijke zin als "dat zijn harde noten om te kraken", maar ook leterlijk onder de vorm van alles wat de integriteit van die tanden of van het kauwen in gevaar kan brengen. Zoals: een steentje dat per ongeluk met zijn voedsel meekomt, en waarop men een tand kan breken. Zoals: als onderkaak en bovenkaak tijdens het kauwen werken als de hamer op het aambeeld, dan kan men letsels veroorzaken door met teveel kracht in iets te bijten. Er wordt teveel spanning op een tand uitgeoefend, en er kan een stuk vanaf breken.

Tanden verslijten dus in de loop der jaren door gebruik, en vermits we geen haaien of krokodillen zijn, bij wie kapot gegane tanden kunnen vervangen worden, vertoont ons gebit niet alleen de sporen van onze jarenlange eetgewoontes, maar ook van de jarenlange "gevechten" die we met de buitenwereld hebben gevoerd. Soms kompleet onderbewust, zoals het tandengeknars tijdens onze slaap. Maar meestal slechts gedeeltelijk bewust, zoals wanneer onze tanden op elkaar geklemd hou-den. Want als "instrument van agressie" hebben tanden een gezond vertrouwen in zichzelf nodig om zijn agressie, vitaliteit en energie tot uitdrukking te kunnen bren-gen. Houdt hij bij remming de kaken op elkaar, dan komt dit gebied onder spanning te staan. Of men nu uit schrik voor de reaktie of voor het gevolg niet "door de zure appel durft te bijten", uit voorzichtigheid of uit bedeesdheid of gebrek aan moed, maakt niets uit. In alle gevallen houdt men zich in, wat voor een spanningsveld tussen binnenwereld en buitenwereld zorgt. Vergelijk dit met peuters die in "hun orale fase zitten" en werkelijk ALLES zomaar in hun mond stoppen zonder de minste terughoudendheid of aarzeling, en je krijgt een beter beeld van deze interne span-ning die ontstaat door remming en verlangen naar kontrole. Onze tanden dragen dus niet alleen de signatuur van onze vraatlust en gulzigheid, maar ook van onze remmingen en geduld. Geduld is positief: zich beheersen en niet zomaar begin-nen schransen, maar rustig zijn tijd nemen. Maar remming is negatief: redenen zoeken om iets NIET te moeten doen uit schrik. Astrologies vallen botten en tanden onder Steenbok-Saturnus, en astrologie-beoefenaars zullen hierin een Saturnus-patroon in kunnen herkennen.

Als kind had ik veel geduld, maar was ik ook erg bedeesd en ingenomen; het liefst van al werd ik met rust gelaten en dat ik ongestoord "mijn ding kon doen". Aanvan-kelijk was dat spelen, miniatuurwereldjes en maquettes maken, en tekenen; later le-zen en schrijven, dingen van de natuur onderzoeken; en nog later dingen van de kul-tuur en de geest onderzoeken. Waaraan ik ook begon, ik zette er steeds mijn tan-den in, ttz ik vergenoegde me niet met een oppervlakkige benadering, maar verdiep -te me erin. Wie zich in iets vastbijt, heeft een vastberadenheid en een doorzet-tingsvermogen om tot het bot te gaan: tot de diepste kern, de bron, de essentie. Dat is het Steenbok-principe.

Mijn tanden groeiden van in het begin schots en scheef; men kan dit achteraf als een onderbewuste uiting van verzet tegen "het in het gelid lopen" beschouwen -iets waar elke Waterman een natuurlijke afkeer aan heeft-, maar ik had het nooit anders ge-kend. Bovendien lieten mijn ouders de keus om al dan niet een beugel te dragen om dat te korrigeren, aan MIJ over; gezien ze daarbij vooral de ongemakken en de nade-len daarvan (zoals het lispelen en het weining attraktief uitzicht) beklemtoonden, was mijn (instinktieve) keus vlug gemaakt. Ik heb er de rest van mijn leven de gevol-gen en de ongemakken van gedragen; ik was een vaste klant bij de tandarts. Deze zelfde fout heb ik niet herhaald, door mijn dochter die "keus" NIET te geven.

Mits uiterste voorzichtigheid in het kauwen, het zorvuldig tanden poetsen met kleine borsteltjes tussen de tanden, de hulp van salie tegen bloedend tandvlees, harde etens -waren te vermijden, en ....mits veel tandpijn op geregelde tijdstippen, ben ik er toch in geslaagd een minimaal funktionerend gebit tot mijn 76ste te behouden. Maar deze nazomer liep het fout: op vakantie kreeg ik aan een rechter mollair een abces, waar-door ik genoodzaakt was om langs mijn zwakkere linkere kant te moeten kauwen (wat ik de laatste 10 jaar vermeden had). Terug thuis, brak mijn linkervoortand af bij het eten van een ordinair broodje. Ik wist onmiddellijk "hoe laat het was" (over "tijd" gesproken): een tijdje liet ik die gebroken kies er nog in zitten, maar het onvermijde-lijke was onafwendbaar: wat ze in ons dialekt peetje scharentand noemen. Vreemd dat zo'n kleine tand een gat achterlaat die 3 keer groter lijkt te zijn.

Tanden bevatten onze persoonlijke geschiedenis: het was die tand waar destijds de vriendin van mijn toenmalig lief een stuk had afgebroken door te onhandig een fles wijn naar mij toe te brengen; het was de tand die mijn geliefde tandarts had we-ten te redden toen ik na een verblijf van 20 jaar op het platteland terug naar de stad en naar hem kwam. In onze tanden zijn de kronieken opgeslagen van ons wel en wee, onze beproevingen en onze konflikten. De "aanslagen" van caries op onze tanden, loopt daardoor analoog met de aanslagen op ons geduld en onze integriteit die we in deze levensfase moeten ondergaan. Op wat "breken" we -figuurlijk- onze tanden? Ttz: waar en wanneer wordt onze Saturnale energie aangevallen of uitge-put? Wat moeten wij trotseren?

Een gebit is ook een beetje zoals domino-stenen in een rij die elkaar recht houden; waneer er eentje begint te vallen, dan gaan ze allemaal neer. Een implantaat kon niet, omdat ik -zoals zovele andere seniors bot tekort had- dus wou men dit hiaat "wegwerken" dan was een gedeeltelijk vals gebit de enige mogelijkheid. Maar om dit mogelijk te maken, moesten ook mijn 3 andere voortanden getrokken worden; die waren in bedenkelijke en "wankelbare" staat. En om mijn gebit helemaal te saneren en immanent tandartsbezoek in een nabije toekomst te vermijden, werden ook mijn 3 overgebleven rechterkiezen die terminale patiënten waren, getrokken.

Op twee weken tijd was ik aldus geëvolueerd van iemand die een voortand mist, naar iemand zonder voortanden. Ik beschouw het als het gevolg van al die keren dat ik niet bevreesd was om de konfrontatie op te zoeken, en om -mentaal dan- het ge-vecht aan te gaan: wie slaags geraakt, wordt bedreven in de kunst van slagen te ont-wijken; maar niet alle slagen kunnen ontweken worden. En diegenen die aankomen, "schenden" het gezicht, omdat het de voorkeursplaats is waarnaar wordt uitgehaald: men inkasseert. Nu heb ik nooit zoveel om mijn "uiterlijk" gegeven, maar DIT is wel erg radikaal. Oordeel zelf door in de spiegel te kijken, en je voortanden met zwart papier te bedekken. En alhoewel het in onze kultuur een soort taboe of non-done is -als het stigma van armoede en dronkenschap, verwaarlozing en vechtersbaas-syn-droom wordt beschouwd- ga ik ook hierin verder in het onbevreesd en naakt te getuigen van wat het betekent.

Gewoon eten wordt ontzettend moeilijk; een opdracht eigenlijk waarbij men moet nadenken hoe men die precies moet uitvoeren (wat men reeds in zijn peutertijd had vastgelegd). Je eten vooraf in kleine hapklare brokjes verdelen bijvoorbeeld, omdat je dit niet meer met je tanden zelf kunt doen. Ik moet daarbij dan denken aan mijn wijlen vader die reeds op middelbare leeftijd zijn tanden was kwijt geraakt, en die -omdat hij zo graag vlees at- een vleesmolentje had waarmee hij het vlees kon fijn ma-len. Een gedeeltelijke kunstplaat is en blijft een stuk plastiek in je mond, dat niet echt van "jezelf" is, ook al wordt men dit allicht met de tijd een beetje "gewoon". En -heel zeker in het begin- komt de doem van het "lispelen" weer tevoorschijn. Maar al bij al weet ik niet of ik het zoveel mijn neptanden ga "dragen". Ik ben al lang mijn gène kwijt, en al lang geen 20 meer. Dus waarom eigenlijk? Ik heb mijn één enkele bovenkies links leren eten; een mens leert zich aan te passen en om te gaan met een handikap of beperking. Elk nadeel heeft ook een voordeel: ik ben verlost van mijn tandpijnen, en alle bekommernissen errond. Dit ging soms ver: nadenken over hoe te kauwen; nadenken over langs welke zijde/kaak te slapen in bed; minitieuze inspektie van de staat van mijn tandvlees en tanden; uiterste zorg besteden aan het poetsen, en het 2 keer daags spoelen met mondwater om te ontsmettten; ..... Ik zal dit allemaal niet missen. Ik heb er zonder spijt afscheid van genomen, van die "bewoners" van mijn kaak. Uiteindelijk blijkt: ik heb letterlijk/figuurlijk mijn tanden gebroken op de problemen en de moeilijkheden die het leven op mijn levensbord heeft opgediend. En neen hoor, ik heb helemaal geen spijt van deze aanpak/beet.